Naar het overzicht

Teisho achtste plaatje: voorbij aan de os

Zweep, ketting, het zelf en de os zijn allemaal versmolten.

Er blijft geen spoor.

De uitgestrekte blauwe lucht is niet bereikbaar voor gedachten;

hoe zou een sneeuwvlok zich kunnen handhaven in een razend vuur?

Thuis aangekomen, ben je in overeenstemming

met de Weg van de ouden.

Na het harde werk van discipline, grote inzet en grote twijfel, na de sereniteit en de kalmte van een geest in absolute rust, is er in dit achtste plaatje plots niets meer: de zweep, de ketting, de neushalster, het zelf van temmer en os zijn allemaal in elkaar opgegaan en verdwenen. Herinner je je Dogens woorden: van deze verlichting blijft geen spoor en zij gaat eindeloos door. In het laatste plaatje is geen spoor meer van iets en toch stopt het verhaal niet. Lees meer.

Na het harde werk van discipline, grote inzet en grote twijfel, na de sereniteit en de kalmte van een geest in absolute rust, is er in dit achtste plaatje plots niets meer: de zweep, de ketting, de neushalster, het zelf van de temmer en de os van de ware geest zijn allemaal in elkaar opgegaan en verdwenen. Herinner je je Dogens woorden: van deze verlichting blijft geen spoor en zij gaat eindeloos door. In het laatste plaatje is geen spoor meer van iets en toch stopt het verhaal niet.

De titel geeft het al aan: voorbij aan de os. Het vinden van het ware zelf, het realiseren van je ware aard is geen einde van je spirituele reis. Het is slechts een begin. Maar dan wel een begin dat ogenschijnlijk aanvangt met een onbeschreven blad. Wat het plaatje te zien, geeft is een lege cirkel met niets daarin en niets daar omheen. Maar wacht eens even. Bekijken we even een knappe illustratie van de plaatjes in die Japanse snelle notitie-stijl: niets geen opleuken, niets geen artistieke bewerking, enkel de snel genoteerde steno van wat gebeurt:

 

Opmerkelijk: alle plaatjes delen dezelfde cirkel, zij het dat zich in alle andere plaatjes een verhaal afspeelt binnenin de cirkel: sporen van de os, naar huis rijden op de os, thuisgekomen sereen zittend in de veranda … Alleen in dat achtste plaatje is er ogenschijnlijk niets: geen gebeuren, geen dramatiek, geen vooruitgang of realisatie. Enkel het niets, het wit van het lege papier. En meteen is het hoge woord eruit: de leegte, het niets. Van heel veel zijden heeft het boeddhisme het verwijt gekregen nihilistisch, levensontkennend te zijn. Alles wat bestaat zou volgens het boeddhisme, althans volgens zijn critici, een slechts een illusie zijn, onbestaand, een creatie van de geest die nergens op berust. Niet enkel het bestaan heet fundamenteel zinloos te zijn maar zelfs elke poging om het een betekenis te geven heet dan een absurditeit te zijn, een onmogelijkheid.

Heeft onze spirituele reiziger dan die hele moeilijke, bij momenten zelfs pijnlijke reis naar verlichting ondernomen om uiteindelijk spoorloos op te lossen in een zinloos universum van louter illusies? Aangekomen bij de bron ontledigt de reis zich dus in een louter niets, een ontlediging, een uitdoving, een ontwording. Betekent de door de Boeddha bepleite uitdoving van alle verlangens en gehechtheden dan het uiteindelijke ingaan tot het nirwana, weg uit dit samsara, dit aardse dal dat een kosmische bedotterij bleek te zijn?

Hoewel die interpretatie met name in het boeddhisme van het kleine voertuig, het Hinayana, lijkt door te klinken, is de betekenis helemaal anders. Was dit plaatje het laatste van de plaatjes geweest, dan zou je kunnen gaan voor deze pessimistische insteek maar zo is het niet. In plaatje negen stort de werkelijkheid zich in al haar grootsheid, met, toegegeven, eindeloos veel lijden, uit in de leegte. En in plaatje tien vernauwt het foto-objectief zich zelfs nog iets meer en komt onze goedgemutste zoeker, ondertussen flink aangekomen, zelf vrolijk in beeld, goed doende en goed ontmoetende.

 

1. De enso of zen-cirkel

 

In het zenboeddhisme staat de enso of zencirkel symbool voor het leven, de verlichting en de totaliteit van alles wat bestaat in dit universum. Zo een zencirkel wordt met één enkele of hooguit twee penseelstreken vanuit de losse hand in sumi e-stijl met het penseel getekend op rijstpapier. De stroperige zwarte inkt en het erg kwetsbare rijstpapier vereisen een vaste hand en een totale aandacht die zich door niets en niemand laat afleiden. Ze vereist dat je tekent met een hand zonder remmingen of aarzeling, in een geest van geen-geest: volledig spontaan, onaangedaan door ideeën van mooi of lelijk, lukken of mislukken. De enso is immers de grafische neerslag van de verlichte staat, die de ervaring van de geest weerspiegelt die zonder begin of einde is. Hij is symbolisch voor zowel de leegte als de totaliteit (!) van het bestaan. Omdat die totaliteit van het universum zich afspeelt binnen de cirkel is de cirkel ook een teken van onderlinge verbondenheid, van initimiteit en de samenhang van alles wat is. Omwille van de spontaneïteit van de vrije creatie zal een echte enso zowel de delicate gratie van de schepping vertolken als haar elementaire kracht en zelfs haar ogenschijnlijke imperfectie. De perfecte cirkel kun je tekenen met de computer of zelfs een passer maar dat is een blasfemie van wat een enso kan zijn: de vrije uiting van een vrije geest. Hoeft het te verwonderen dat eerder baldadige zenmeesters zich vergrepen aan het schilderen van een enso met een veegborstel?

 

Is een cirkel met de leegte als inhoud écht leeg? Of is dit pas de échte volheid, eens het rumoer en het lawaai van het theater van het leven aan de voorzijde zijn weggevallen en de lege achtergrond zuiver, sereen naar voren treedt, onaangedaan door het eerdere spektakel?

 

Andere interpretaties van de lege cirkel in het achtste plaatje verwijzen respectievelijk naar de maan en naar de lege spiegel.

In de context van zen en boeddhisme kan de maan symbool zijn voor ontwaken en bewustzijn. Ze staat dan vaak voor de ontwaakte geest, terwijl het water op zijn beurt staat voor de gewone, dualistische wereld van verschijnselen en vormen. Maar vergis je niet: de volle maan weerspiegelt zich tot in de kleinste druppeltjes. Niets en niemand valt buiten de verlichting: de hele nacht hebben de schaduwen van het gras de trappen naar het huis geveegd en 's morgens is nog geen een stofje verplaatst.

De lege spiegel heeft dan weer te maken met de geest die elke gedachte verwelkomt zonder erop in te gaan, zonder voorkeur of afkeer te laten blijken, de spiegel die keuzeloos weerspiegelt zonder te willen vasthouden. Een gedachte is maar een gedachte en je 'ik' is allerminst de optelsom van je gedachten.

 

2. Denkend aan de dood als opmaat naar de Grote Dood in zen

 

Je kunt de lege cirkel ook zien als de flinterdunne scheidslijn tussen twee eeuwigheden, resp. voor onze geboorte en na onze dood. Die dood hoeft evenwel niet tot pessimisme of uitzichtloosheid te leiden. Twee gedichten in dit verband zijn mij altijd bijzonder dierbaar geweest. Opmerkelijk is dat in beide gevallen het denken aan/over de dood vooral een bezinning over het leven is, allereersteen oproep om échter, gewortelder, compromislozer in het leven te staan.

Het eerste is in het licht van de vroege dood van de dichter Eddy Van Vliet (1942-2002) van een wel erg laconiek parlando:

 

Dood

 

Dood. Heb geen angst. Talm niet

voor mijn deur. Kom binnen.

Lees mijn boeken. In negen van de tien

kom je voor. Je bent geen onbekende.

 

Hou mij niet voor de gek met kwalen

waarvan niemand de namen durft te noemen.

Leg mij niet in een bed tussen kwijlende

kinderen die van ouderdom niet weten wat ze zeggen.

Klop mij geen geld uit de zak

voor nutteloze uren in chique klinieken.

 

Veeg je voeten en wees welkom.

 

Het tweede is van de dichter P.C. Boutens (1870 - 1943), een classicus die diepgaand beïnvloed werd door de Griekse filosoof Plato. Zijn gedicht 'Goede dood' gaat als volgt:

 

Goede dood

 

Goede Dood wiens zuiver pijpen

Door ’t verstilde leven boort,

Die tot glimlach van begrijpen

Alle jong en schoon bekoort,

 

Voor wien kinderen en wijzen

Lachend laten boek en spel,

Voor wien maar verkleumde grijzen

Huivren in hun kille cel, –

 

Mij is elke dag verloren,

Die uw lokstem niet verneemt;

Want dit land van most en koren

Is mij immer schoon en vreemd;

 

Want nooit beurde ik hier te drinken

’t Water dat de ziel verjongt,

Of van dichtbij hief te klinken

’t Verre wijsje dat gij zongt:

 

Alle schoon dat de aard kan geven,

Blijkt een pad dat tot u voert,

En alleen is leven leven

Als het tot den dood ontroert.

 

P.C. Boutens, uit: Stemmen (1907)

 

Van de dood als een anecdote - hoe kan een sneeuwvlok zich handhaven in een razend vuur? - tot de dood als een symbolische lokroep van en naar het hogere. Maar bij allebei de dichters komt de dood allereerst naar voor als een aanwezigheid in het leven. Maar er is meer.

 

3. Grote dood als ontlediging

 

De Japanse filosoof Shizuteru Ueda (1929) stelt dat de dood niet van buitenaf op ons leven toe komt. Bij het leven behoort wezenlijk van het begin af aan het ‘moeten sterven’. UItgerekend de dood laat vermoeden dat de ik-loosheid de bestemming van mensen is. De mens vermoedt wel zo iets, maar houdt tegelijkertijd sterk vast aan zijn ik-gerichtheid en vergeet de dood dus liever. In de woorden van Ueda: ‘Alles is vergankelijk. Het ik wil echter voor altijd blijven bestaan’. De boeddhistische visie wijst de dood aan als een/de oorzaak van menselijk lijden. Maar Ueda wijst ook op de boeddhistische uitweg uit het lijden door de realisatie van het ware zelf dat essentieel ik-loos is. Vandaar het belang om tijdens dit leven het ik al te laten sterven. De Grote Dood, zo dierbaar aan zen, berust dan in de absolute negatie van het ik, in het boeddhisme ook wel de Grote Dood genoemd. Let wel: dit hoeft absoluut niet negatief te klinken. Er zit, ook volgens Ueda een diepe vreugde in: ‘Ik-loos (…) wordt de waarheid in haar creatieve kracht ervaren, dat wil zeggen: alles komt en gaat, alles wordt nieuw’. Het gaat hier volgens Ueda feitelijk om het elkaar doordringen van zijn en niets. Als de boeddhistische waarheid doorzien wordt, ontstaat ‘het spel van de ik-loze vrijheid van het zelf’.

 

Nu is deze overtuiging niet exclusief voor het boeddhisme. Luister maar naar de Duitse katholieke bekeerling en mysticus Angelus Silesius (ps. Johannes Scheffler, 1624-1677):

 

Niets houdt je gebonden

behalve je eigen Ik...

Totdat je verbreekt

zijn ketenen, zijn boeien,

en je vrij bent.

 

We blijven zo druk aan het praten,

We willen zo graag in actie komen

dat we vergeten

dat in het hart

alles ligt wat we nodig hebben

Onaangeboord, intact.

 

Hij die de zintuigen draait

naar het Licht dat zijn centrum is

hoort wat geen oor kan horen

ziet waar geen licht kan binnendringen.

 

Tenzij je het paradijs vindt

in je eigen centrum,

is er niet de minste kans

dat je het zult betreden.

 

 

Een ander voorbeeld dat zich evenwel verre houdt van elke religie, las ik bij Elsbeth Wolf (Maha Karuna Zen, Rotterdam) met als hoofdpersonage de antropologe en biologe Jane Goodall (1934), wereldberoemd door haar wetenschappelijk werk met primaten. Zij is het meest bekend van de studie die zij vanaf 1960 maakte van het sociale en familiale leven van de chimpansees in het Gombe Stream National Park in Tanzania. In het boek Bezielde Kosmos van Ervin Laszlo deelt ze haar ervaring van volkomen ontlediging en eenwording met de omgeving waarin ze leefde. Ze schrijft:

“Dag in dag uit was ik alleen in de wildernis. In het gezelschap van dieren, bomen, de murmelende stromen, de bergen, de ontzagwekkende elektrische stormen en de met sterren bezaaide nachtelijke hemel. Een paar keer bereikte ik een staat van verhoogd bewustzijn, waarbij het leek of het zelf volledig afwezig was: ik, de chimpansees, de aarde, bomen en de lucht, leken te versmelten en één te worden met de levenskracht van het woud. Ik raakte steeds meer afgestemd op de grootse Spirituele Kracht die ik om me heen voelde, even werkelijk als het kloppen van mijn hart. En ik kwam ertoe te geloven dat alle leven een vonk in zich draagt van die Spirituele Kracht, het goddelijke in ons” (2005, 182). Het is het ongeborene en onvergankelijke!

 

4. Leegte in het taoïsme

 

Zen heet het kind te zijn van het huwelijk tussen het taoïsme en het boeddhisme. Dat is voer voor een discussie onder geleerden, maar zen lijkt mij herhaaldelijk de vertaling van (Indische) boeddhistische 'metafysische' concepten in de eerder praktische down to earth-levenshouding van de Chinese taoïsten. Met andere woorden: het taoïstisch DNA lijkt me toch de boventoon te voeren.

Centraal in het taoïsme staat de Tao ofte de Weg, een veelgelaagd begrip dat vooral duidt op de bron van alles. De Tao geldt als leeg, niet in de betekenis van niets, maar als een potentie die alle dingen kan genereren, die alle dingen bevat en als zodanig onkenbaar is en niet te definiëren. De Tao dus als basis waarop alles rust maar die zelf niet een iets of een iemand is, die zelf op niets rust. In zijn morele betekenis staat Tao voor de natuurlijke orde van het universum, bron en sturing van alles.

 

In Hoofdstuk IV van de Tao Teh Ching luidt het in de weliswaar gedateerde maar mooie vertaling van Henri Borel als volgt:

 

1. Tao is ledig, en (toch) in Zijne operaties als onuitputtelijk.

2. O! Hoe diep is Het! Het is de Oer-Vader aller dingen.

3. Het verstompt zijn scherpte, ontrafelt zijne verwardheid, tempert zijne (verblindende) schittering, en maakt zich gelijk aan het stof.

4. O! Hoe kalm is Het! Het lijkt wel eeuwig te bestaan.

5. Ik weet niet van wien Het het kind is. Het was vóór Shang Ti (den oppersten God).

 

De taoïst Yin Xi, een legendarische figuur en tijdgenoot van de al even legendarische Lao Tse, houdt zijn leerlingen de levenshouding voor die ze aan moeten nemen waarbij niet de eigen persoon centraal staat maar de morele werking uitgaande van de Teh als werkzaamheid van de Tao. Hij stelt: "De houding van de Wijze ten aanzien van Tao is als een pijl die zonder voorkeur of afkeer wordt afgeschoten. Pas wanneer de Wijze afziet van zijn eigen wil, kan de pijl zijn eigen loop volgen."

 

De leerling van de Tao moet zijn eigen wil overgeven aan de werking (Teh) die van het tijdloze Tao uitgaat. Op de vraag hoe we kunnen leven in overeenstemming met Tao geeft Yin Xi als levenshouding op: door consequent de eigen geest leegt te maken van de vele gedachten en ideeën, door leeg te worden en leeg te zijn van alle denken en handelen, voelen en willen dat op het denkbeeldige zelf gericht is. Stelt Yin Xi:

 

De wijze weet: er is geen zelf.

De wijze weet dat er geen zelf in het

hart mag zijn,

daarom leeft hij vanuit

onbaatzuchtigheid.

 

En ik rond dit verhaal van de helemaal niet zo lege cirkel van Plaatje 8 af met de integrale aanbeveling van het zestiende vers van de Tao Teh Ching in de schitterende vertaling van Elly Nooyen:

 

Probeer de uiterste leegte te bereiken

en de diepste stilte te bewaren.

In het gewoel van de tienduizend dingen,

zij aan zij, ontwaren we een terugkeer.

Welnu, de tienduizend dingen zijn menigvuldig

maar ze keren ieder terug naar hun wortel

en vinden daar hun eindpunt.

Terugkeren naar de wortel heet stilte.

Dat is wat we terugkeer naar de bestemming noemen.

Terugkeren naar de bestemming heet: het permanente.

Het permanente kennen heet: helderheid.

Niet bewust zijn van het permanente,

dan handelt men in het wilde weg, en dat brengt onheil.

Bewust zijn van het permanente, dan ook ontvankelijk;

Ontvankelijk zijn, dan ook onpartijdig.

Onpartijdig zijn, dan ook koning zijn;

Wie koning is heeft deel aan de Hemel.

Wie deel heeft aan de Hemel, heeft deel aan Tao.

Deelhebben aan Tao, dan ook altijddurend.

Je leven lang dan ook niet uitgeput raken.

Elements for macOS application icon. Made in Elements