Naar het overzicht

Teisho negende plaatje: terugkeren naar de bron

Eenmaal teruggekeerd bij de bron

is de inspanning voorbij.

Het intieme zelf ziet niets buiten zich, hoort niets buiten zich.

En toch, de eindeloze rivier stroomt rustig verder,

de bloemen zijn rood.

Eenmaal teruggekeerd bij de bron is de inspanning nabij …' Kinderen blijven vaak op hun honger zitten bij sprookjes. De dappere held is na twee eerdere mislukkingen uiteindelijk dan toch geslaagd in een als onmogelijk aangeduide beproeving of hij slaagt waar twee van zijn oudere broers jammerlijk mislukt zijn. Dan gaat de hemel open en je vraagt je af hoe het nou verder gaat. Niet dus. De held krijgt dan wel het beloofde meisje/koninkrijk/pot met goud maar daarna valt verder niet bijster meer te vertellen. En zij leefden nog lang en gelukkig. Frustrerend en al helemaal als je vrolijke vader er glimlachend aan toe voegde: en toen kwam er een varken met een lange snuit en het sprookje was uit.

 

Later, volwassen geworden, leerde je de uitdrukking: le bonheur ne se raconte pas, il se vit; geluk kent maar weinig verhaaltjes en nog minder praatjes. Wat er wel is als voorstelling van geluk: veel kinderen krijgen en elkaar al die jaren heel graag zien en dan nog een lang leven als beloning toe. Toch een beetje klef allemaal, zeker in het licht van dat felle begin met beproevingen bij elke bocht in de weg.

 

Hetzelfde lijkt ook hier aan de hand te zijn in dit negende en meteen ook al voorlaatste plaatje. Het prentje toont een uitbundige natuur maar er is geen spoor van een mens. Die komt pas in het tiende plaatje weer aan de orde. Bedenk dat oudere versies van de Plaatjes van de os er al mee ophielden na het plaatje van 'de os verdwenen'. 'Modernere' zenmeesters vonden echter dat het verhaal niet kon eindigen met een zalig moment van verlichting of inzicht in de ware aard. Integendeel zij spoorden aan verder te gaan, zoals ook de dichter T.S. Eliot dat in zijn Four Quartets doet:

 

“Home is where one starts from. As we grow older

The world becomes stranger, the pattern more complicated

Of dead and living. Not the intense moment

Isolated, with no before and after,

But a lifetime burning in every moment

And not the lifetime of one man only

But of old stones that cannot be deciphered.

There is a time for the evening under starlight,

A time for the evening under lamplight

(The evening with the photograph album).

Love is most nearly itself

When here and now cease to matter.

Old men ought to be explorers

Here or there does not matter

We must be still and still moving

Into another intensity

For a further union, a deeper communion

Through the dark cold and the empty desolation,

The wave cry, the wind cry, the vast waters

Of the petrel and the porpoise. In my end is my beginning.”

 

"Thuis is de plek waar vandaan je vertrekt. Naarmate we ouder worden

Wordt de wereld vreemder, het patroon ingewikkelder

Van doden en levenden. Niet het intense moment

Geïsoleerd, zonder voor en na,

Maar een leven lang dat brandt in elk moment

En niet enkel het leven van slechts één mens

Maar ook dat van oude stenen die niet te ontcijferen zijn.

Er is een tijd voor de avond onder sterrenlicht,

Een tijd voor de avond onder lamplicht

(De avond met het fotoalbum).

Liefde is zichzelf het meest nabij

Wanneer hier en nu geen belang meer hebben.

Oude mannen zouden ontdekkingsreizigers moeten zijn

Hier of daar maakt niet uit

We moeten stil zijn en nog steeds in beweging

naar een andere intensiteit

Voor een verdere eenheid, een diepere gemeenschap

Door de donkere kou en de lege verlatenheid,

De golf huilt, de wind huilt, de uitgestrekte wateren

Van het stormvogeltje en de bruinvis. In mijn einde is mijn begin."

 

In my end is my beginning, in mijn einde is mijn begin. Maar het is het begin van een niet eindigende intimiteit: het intieme zelf ziet niets buiten zich, hoort niets buiten zich. Een opmerkelijk vers want het gaat blijkbaar allereerst om een intimiteit met zichzelf en alles om het zelf heen. Daar bestaat trouwens een heel mooie koan over: Goso vroeg aan een monnik: 'Seijo en haar ziel zijn van elkaar gescheiden. Welke is de werkelijke gestalte?'

 

Het verhaal van Seijo gaat terug op een oude Chinese legende uit de T’ang periode. Zenmeester Goso is trouwens uit dezelfde periode: hij stierf in 1104. Er was eens een oude man Chokan en die had twee dochters. Toen zijn oudste stierf, had hij alleen nog zijn jongste, Seijo, een beeldschoon kind waar hij zielsveel van hield. Plagend zei hij wel eens dat ze even knap was als haar neef Ochu die een stevige knaap was en dat die twee een prachtig paar zouden vormen. Maar zoals dat wel vaker gaat bij kinderen, ze werden later ook effectief verliefd op elkaar. En net dan zegt Chokan aan zijn dochter dat hij een ander heeft uitgezocht als echtgenoot voor haar. Dit breekt het hart van de jonge geliefden. Ochu verlaat de stad in een kleine boot. Hij was al een eind weg toen hij langs de oever een gestalte zag die hem wenkte. Tot zijn immense vreugde herkende hij Seijo die hem gevolgd was. Zij besloten naar een ver land te reizen en daar samen te gaan wonen.

Enige jaren later, toen Seijo zelf al moeder van twee kinderen was, werd zij zich bewust van hoe diep ouderliefde wel gaat. Haar geweten begon te knagen over de wijze waarop ze haar geliefde vader behandeld had. Ook haar man betreurde wat zij de oude man hadden aangedaan en ze besloten terug te keren naar huis en vergiffenis te vragen.

Toen ze weer in de ouderlijke stad waren aangekomen, bleef Seijo, naar de gebruikelijke Chinese wijze, met de twee kinderen in de boot zitten en haar man ging alvast vooruit naar Chokan. Ochu vroeg vergiffenis en vertelde wat er gebeurd was. De oude man luisterde vol ongeloof en vroeg stomverbaasd aan Ochu over wie hij het eigenlijk had. Ochu: 'Over je dochter Seijo'.

Waarop de oude man zei: 'Maar zij heeft het huis nooit verlaten. Kort nadat je wegging, werd ze ziek en ze is nog steeds bedlegerig. Sinds je wegging, heeft ze geen woord meer gezegd.'

'Dat moet een vergissing zijn,' antwoordde Ochu. 'Seijo volgde mij en we gingen samen naar een vreemd land. We trouwden en kregen twee kinderen. Ze verkeert in uitstekende gezondheid, ze wil je terugzien en je om vergiffenis vragen, omdat we weggegaan zijn en zonder je toestemming getrouwd. Als je me niet gelooft, kom dan naar de boot en kijk zelf.

De oude man aarzelde en daarom ging Ochu alleen op weg om Seijo te halen en te brengen naar het huis van haar vader. Intussen ging Chokan naar de slaapkamer om de zieke Seijo te vertellen wat er gebeurd was. Zonder een woord te zeggen, stond de zieke op en liep naar buiten, de aangekomen Seijo tegemoet. Zij glimlachte en beiden werden één.

Chokan zei tegen zijn dochter: 'Sinds Ochu weg was, was je stom en levenloos alsof je ziel je verlaten had.' En Seijo zei: 'Ik wist niet dat ik thuis ziek te bed lag. Toen ik hoorde dat Ochu weg wilde gaan, ben ik als in een droom zijn boot gevolgd.'

 

Een heel illustratief verhaal met ook een mooi aansluitend vers van zenmeester Mumon Ekai (Wumen Huikai, 1183–1260), die deze koan opnam in zijn koanverzameling Mumonkan. Zijn vers gaat als volgt:

 

Achter de wolken is dezelfde maan,

bergen en dalen zijn verschillend,

alles is gezegend. Duizendmaal gezegend.

Is dit er één? Zijn dit er twee?

 

Wie is de echte Seijo? Of is dit een twee-eenheid van absoluut en relatief die na een lange zoektocht versmelten tot die ene intimiteit van totale zegening. Bergen en dalen zijn verschillend maar vinden elkaar zij aan zij in deze oneindige zegening. Zonder valleien geen bergen; zonder bergen geen valleien. De seizoenen zijn verschillend maar elk seizoen is voor de ontwaakte mens die zich niet laat afleiden door de onophoudelijke stroom van gedachten, het gelukkigste jaargetijde:

 

De bloemen in de lente – de maan in de herfst,

’s zomers de koele bries – ’s winters de sneeuw!

Als nutteloze dingen de geest niet vertroebelen,

is dit het gelukkigste jaargetij van de mens!

 

Etappes in de weg aan de hand van bergen en rivieren

 

Met het bekende zengezegde "Voordat ik oefende, waren bergen bergen. Nadat ik had geoefend, waren bergen geen bergen meer. Nu ik meer heb geoefend, zijn bergen weer bergen" beschrijft zen de stadia van spirituele ontwikkeling.

In een eerste instantie is er de triviale, puur zintuigelijke, objectieve benadering: je ziet de berg als een berg, daar, tegenover jou, een afzonderlijke, afgezonderde entiteit daar aan de horizon. Je ziet de rivier als slechts een rivier, misschien mooi, misschien doodgewoon maar die rivier heeft niets te maken met jou en jij hebt verder geen verhaal aan de rivier.

Maar naarmate de beoefening van de weg vordert groeit de intimiteit en ga je op een dieper vlak de onderlinge verbondenheid van alle dingen te begrijpen. Alles is met alles verbonden, alles is verbonden, ook in opkomen en vergaan. Je ziet de rivier niet langer als iets objectiefs, daar buiten je, afzonderlijk en afgezonderd van jou. En ook de berg wordt niet langer als een afzonderlijke entiteit gezien.

Uiteindelijk, vanuit een dieper begrip, gesteund op intimiteit en verbondenheid, keer je terug naar de ervaring van de berg als berg, van de rivier als rivier. Aan de uiterlijke (?) wereld lijkt op het eerste zicht niets veranderd maar het verschil zit in een dieper, bevrijd inzicht. Net als de twee gezichten van Seijo zijn bergen en valleien zowel afzonderlijke entiteiten als onderdelen van het onderling verbonden web van het bestaan.

 

Een mystieke ervaring

 

Om dit wat dichter te brengen, citeer ik een ervaring van de zenmeester Rev(erend) James Ishmael Ford, de eerste bedienaar van de Unitarian Universalist Church die ook zenmeester geworden is. Hij beschrijft een ervaring van diepe eenheid en verbondenheid die hij had als 19-jarige op het strand in Ecuador: "Nou, het was een doorsnee ervaring van eenheid. Ik keek naar het zonlicht op de oceaan. Ik was eigenlijk net klaar met het schrijven van mijn eerste boek en ik was erg blij. En ik keek naar het zonlicht op de oceaan, ver van huis en ineens naar het zonlicht op de oceaan.... Nou, ik probeerde erachter te komen of de zee heel, heel donker of heel, heel helder was. Het leek zo donker waar het licht niet was, en zo oogverblindend helder waar het licht was. En het was aan het verschuiven. Was het dan zwart? Was het wit? Ik kwam er gewoon niet uit. En ineens was het gewoon niet langer buiten mij. Het was onmogelijk om te zeggen: daar was het en hier keek ik ernaar. Er was gewoon geen enkele scheiding. En op dat moment werd ik overspoeld door dit gevoel van liefde. En de liefde leek absoluut overal te zijn. En mogelijk vanwege mijn achtergrond als half-Joodse man in Engeland - waar nog steeds een zekere mate van latent antisemitisme was, zelfs toen ik er opgroeide in de jaren '70, denk ik dat een van mijn problemen was: 'Hoor ik erbij?' Of: 'Waar hoor ik thuis?' En op dat moment realiseerde ik me dat ik er wel degelijk bij hoorde voorbij elk toebehoren. Ik ben gemaakt van dezelfde stof als de hele schepping! Er was absoluut geen verschil. En het was totaal, overweldigend geweldig. Ik had het gevoel dat ik was opgenomen - opgeëist - door een grotere liefde die alles omvatte. Maar ik had geen idee wat het was en ik wist niet wat ik van hieraf aan moest doen." Tot zover zijn verhaal. De ervaring deed zich niet opnieuw voor en hij had absoluut geen referenties om ze te duiden. Tot hij, twintig jaar later bij een eerste kennismaking met zen, de spreker de bekende zegging van zenmeester Dogen hoort citeren: 'Groene bergen beoefenen grondig het lopen, de oostelijke bergen beoefenen onophoudelijk het reizen over water. Dienovereenkomstig zijn deze activiteiten de beoefeningspraktijk van een berg. Met behoud van de eigen vorm, zonder lichaam en geest te veranderen, oefent een berg altijd op elke plek.' Op dat ogenblik wéét hij (intimiteit!) dat Dogen spreekt over hetzelfde soort ervaring dat hem 20 jaar eerder overkwam op een strand in Ecuador.

 

Kenmerkend voor beide ervaringen is dat het normale biografische ik met al zijn verzuchtingen, verlangens, oneindige verhalen en ervaringen van afgescheidenheid weggevallen lijkt ten voordele van een open, leeg centrum waarbinnen de tienduizend dingen zich uitstorten. Deze beweging van tegelijk verlies en winst gaat gepaard met een diepe bevestiging, met intimiteit en verbondenheid, met geluk zelfs. Het gebruik van de woorden genade of zegening is niet toevallig. Men zegt wel eens dat het grootste geluk van de geïsoleerde, op zichzelf staande (?) golf is wanneer die van binnenuit ervaart tegelijk ook de oceaan te zijn. Niet langer gescheiden, niet langer gefolterd door de vraag 'hoor ik erbij?' maar opgenomen, gedragen. De centrale zin in het onderricht van mijn eigen zenleraar Ton Lathouwers heette niet toevallig: je kunt er niet uit vallen. Je bent aanvaard zoals je bent. De legitimiteit van het 'ik' berust niet niet op zijn anekdotische afgescheidenheid maar op zijn radicale openheid op wat ís. En dan is het 'ik' met zijn alledaagse kabaal vaak de grootste hindernis. Of zoals de dichteres Emily Dickinson (1830 - 1886). het in haar meest bekende gedicht zegt:

 

Ik ben niemand! Wie ben jij?

 

Ik ben niemand! Wie ben jij?

Ben jij ook niemand?

Dan zijn we een paar! Zeg niets!

Anders verbannen ze ons, weet je.

 

Hoe zielig om iemand te zijn!

Zo openbaar als een kikker

Je naam de hele dag te kwaken

Aan een vijver vol bewonderaars!

 

vertaling: Jules Grandgagnage

 

De vrijheid van niemand te zijn en daardoor meer dan ooit iemand, kun je ook beluisteren in de gedichten Whalt Whitman (1819 - 1892) zoals in dit ogenschijnlijk onbeschaamde 'Lied van mezelf (!):

 

Lied van mezelf

1.

Ik vier mezelf, bejubel mezelf,

en wat ik ontvang, ontvang jij ook,

want elk atoom in mij is ook van jou.

Ik slenter, en nodig mijn ziel uit,

Ik buig over een halm zomergras die ik op mijn gemak observeer.

Mijn tong, al de atomen van mijn bloed, gevormd door de aarde hier,

de lucht hier, mijn geboorte, hier, van ouders die hier zelf zijn geboren,

zoals de ouders van hun ouders voor hen,

Zevenendertig op deze dag, volmaakt gezond, begin ik,

In de hoop pas op te houden tot ik sterf.

Alle geloof verworpen, de scholen verworpen,

Afgezonderd van hen, ken ik nu hun juiste waarde, zonder te vergeten,

Ik verwelkom al het goede en het slechte,

laat het zich uiten, onbeperkt in pure energie.

 

vertaling Jules Grandgagnage

 

Het negende plaatje toont een overweldigende natuur die alle kanten uit groeit en bloeit. De mens lijkt er helemaal bij afwezig maar het is een opmerkelijke afwezigheid: ga nu maar liggen liefste in de tuin, de lege plekken in het hoge gras, ik heb altijd gewild dat ik dat was, een lege plek voor iemand, om te blijven (Rutger Kopland). Ik wil graag besluiten met het gedicht Sta niet huilend voor mijn graf van Mary Elizabeth Frye (1905- 2004) al is er twijfel aan haar auteurschap. Het heet geschreven te zijn naar aanleiding van het overlijden van haar broer. Het wordt ook heel vaak geciteerd op uitvaarten, het staat op het monument dat de gestorven klimmers op de Everest herdenkt enz. Dat zal best maar ik lees het altijd als wat er gebeurt wanneer het opdringerige ik met zijn constante stem er even niet is waardoor het zelf kan toetreden tot de fundamentele openheid op de tienduizend dingen die het in de eerste plaats is:

 

Sta niet huilend voor mijn graf

 

Sta niet huilend voor mijn graf,

Ik ben er niet, ik slaap er niet.

Ik ben de zucht in duizend winden,

Ik ben de zachte sneeuw die valt.

Ik ben de zoete herfstregen

Ik ben de rijpe tarwe in de velden.

Ik ben de stilte van de ochtend,

Ik ben in de gracieuze vlucht

van buitelende vogels,

Ik ben de glans van de sterren in de nacht.

Ik ben in elke bloem die bloeit,

Ik ben in een rustige plaats.

Ik ben in elke vogel die zingt,

Ik ben in elk mooi ding.

Sta niet huilend voor mijn graf,

Ik ben er niet. Ik leef nog steeds.

Elements for macOS application icon. Made in Elements